Was Adam de eerste mens?

Uit Louterend.nl

Voorwoord

Tijdens een Bijbelstudieweek in Wuppertal liet ik voor het eerst, enigszins schoorvoetend, aan medegelovigen en medestudenten weten dat ik niet geloof dat Adam en Eva de eerste mensen op aarde waren. Ik verwachtte dat de groep zou ontploffen, maar dat gebeurde tot mijn verrassing helemaal niet. Toen we er als groep dieper over nadachten, merkte ik dat ik zeker wel argumenten had om mijn zojuist gedane uitspraak toe te lichten, maar dat mijn verhaal nog allerminst stevig stond. In het gesprek haalde ik steeds meer christelijke overtuigingen overhoop en zette daar een matig onderbouwde theorie voor in de plaats. Gelukkig was ik omringd door mensen die niet veroordelend waren en mij nooit als ketter zouden bestempelen. Toch voelde ik de verantwoordelijkheid om mijn stelling, dat Adam en Eva niet de eerste mensen op aarde kunnen zijn geweest, beter te onderbouwen. Het resultaat daarvan is deze studie.

Inleiding

Strekking van de studie . Vandaar deze studie

Wanneer we willen uitzoeken hoe de mensheid is ontstaan en of Adam echt het allereerste begin daarvan was, is het belangrijk om vooral te kijken naar de zesde dag van de schepping. Die dag speelt namelijk een heel bijzondere rol. Er gebeurt iets dat anders is dan op de dagen ervoor.

De eerste schepping

Wat God precies gemaakt heeft op die zesde scheppingsdag, wordt beschreven in de verzen uit Genesis 1:24-27. In dat gedeelte lees je hoe zowel de dieren als de mens hun plaats krijgen in het scheppingsverhaal. Als we vervolgens inzoomen op de schepping van de mens dan vallen verschillende zaken op als het gaat om de formulering die God gebruikt[1].

Laten Wij mensen maken

Op de zesde dag maakte God de dieren en schiep de mens. Dat God hier zegt "Laten Wij mensen maken" is opmerkelijk. Vooral omdat er met "Wij" een meervoudvorm gebruikt wordt. De meervoudsvorm "Wij" kan volgens de Studiebijbel Oude Testament[2] op verschillende manieren verklaard worden:

  • God en zijn engelen
  • Een verwijzing naar de Drie-eenheid
  • een meervoud van aansporing
  • een majesteitsmeervoud

Bij de eerste optie stuit je op de moeilijkheid dat de engelen niet geschapen zijn naar Gods beeld. Ze staan hiërarchisch onder God. ()Uitweken)

De verwijzing naar de drie-eenheid, zoals de KingComments[3] ook aangeeft, zou de tekst achteraf veel betekenis geven, maar opgemerkt moet worden dat de term 'Drie-eenheid' niet in de Bijbel voor komt. Ook een theologie inzake de Drie-eenheid wordt niet in de Bijbel aangetroffen. Deze leer is ontstaan in de vroege kerk en is vastgelegd op concilies zoals Nicea en Constantinopel. Het valt niet aan te nemen dat God hierop vooruitliep. De Israëlieten zullen de tekst zo zeker niet hebben (kunnen) opgevat.

In het Nederlands bedoelen we met aansporingsmeervoud meestal een gebiedende wijs gericht aan meerdere personen. Bijvoorbeeld: “Gaan jullie zitten.” of “Komt allen tezamen.” Het is een opdracht aan anderen. Aangezien God de Schepper is en de Scheppingsdaad zelf doet valt ook deze optie af.

De majesteitsmeervoudvorm (Pluralis majestatis) is het gebruik van het meervoud 'ons' wanneer je naar jezelf verwijst, in plaats van de enkelvoudige vorm "ik". Dit wordt vaak gebruikt om de eigen belangrijkheid te benadrukken. God hoeft natuurlijk nooit Zijn eigen belangrijkheid te benadrukken, maar God geeft hier wel aan dat Hij een belangrijk voornemen heeft dat Hij gaat uitvoeren. Het "Laten Wij mensen maken" is een majesteitsmeervoudvorm die God gebruikt omdat Hij de beslissing heeft genomen de kroon op Zijn schepping te gaan scheppen: de mens. Het gebruik van de majesteitsmeervoud komt niet vaak in de bijbel voor, maar er zijn andere voorbeelden van het gebruik van deze meervoudvorm. Zoals in Genesis 11:7. (voorbeeld geven)

Naar Ons beeld en Onze gelijkenis

Het is God zelf die dit in dit vers zegt; Naar Ons beeld en Onze gelijkenis. Ik benoem dat zo duidelijk omdat christenen vaak de rollen omdraaien. Dan klinkt het ineens alsof wij moeten worden zoals God is. Maar hoe God dan precies is, blijft meestal vaag. Soms wordt het ingevuld met een heel pakket aan regels: dit moet je doen, dat moet je laten, zo moet je leven om maar zo dicht mogelijk bij een soort ‘perfect beeld van God’ te komen.

Maar in deze tekst draait het helemaal niet om de mens die zichzelf moet vormen naar een ideaal plaatje. God maakt juist duidelijk dat wij maar een deel van Zijn beeld en gelijkenis meekrijgen. Niet alles, niet volledig, maar een specifiek aspect.

En het meest logische is dat dit verwijst naar wat er direct na dit vers gedeelte staat: “en laten zij heersen.” Van alle eigenschappen die God heeft, die wij misschien niet eens kennen, geeft Hij de mens één bijzondere taak mee: het heersen over de andere levensvormen die Hij geschapen heeft. Dat is een unieke positie.

Kijk maar naar de werkelijkheid: als mensheid staan we boven vissen, vogels, vee en alle kruipende dieren. In kracht, in intelligentie, in invloed. We zijn duidelijk superieur. Misschien wel iets te..

Hem en hen

Veel mensen zeggen dat God eerst Adam heeft gemaakt – dus de man – en dat daarna pas Eva werd geschapen. Die uitspraak klopt op zichzelf wel, maar je kunt dat niet rechtstreeks uit Genesis 1 vers 27 halen. In dat vers staat namelijk: “naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”

Als je dat goed leest, zie je dat het niet gaat om twee aparte momenten waarop God eerst de man en later de vrouw maakte. Het vers beschrijft juist één enkele scheppingsdaad waarin beide vormen van mens-zijn tegelijk worden bedoeld.

De zin bestaat uit twee regels die naast elkaar staan en samen één boodschap overbrengen:

  • “Schiep Hij hem” verwijst naar de mensheid als geheel, de mens als soort of concept.
  • “Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” maakt duidelijk dat die ene mensheid uit twee geslachten bestaat: man en vrouw, samen aangeduid met “hen”.

Wereld en Aarde

In de Bijbel worden “aarde” en “wereld”, in Nederlandse vertalingen, vaak door elkaar gebruikt, maar in de oorspronkelijke talen (Hebreeuws en Grieks) bedoelen ze niet hetzelfde. Dat verschil is best belangrijk.

Het Hebreeuwse ’erets en het Griekse verwijzen meestal naar de fysieke aarde: de grond onder onze voeten, het land waarin mensen wonen, of zelfs de planeet als geheel. Het kan ook slaan op een specifiek gebied, zoals wanneer er wordt gesproken over “het land Israël” Het moet dus uit de context blijken wat de schaal is waar over gesproken wordt. Aarde is ook het stof waaruit de mens is gevormd.

Het woord “wereld”, vertaald uit het Hebreeuwse tevel en het Griekse kosmos, heeft een bredere en vaak meer sociale of morele betekenis. Het kan gaan over de mensheid als geheel, maar ook over het menselijke systeem dat zich tegen God keert. Daarnaast verwijst het naar de cultuur, waarden en structuren die mensen samen vormen.

Kort gezegd: aarde gaat meestal over de fysieke werkelijkheid, terwijl wereld vaak iets zegt over de menselijke samenleving en haar houding.

De tweede schepping

Volgens Calvijn[4] en Luther[5] begint in Genesis 2:4 opnieuw een beschrijving van wat er tijdens de schepping is gebeurd. Zij denken dat dit tweede hoofdstuk eigenlijk een soort hervertelling is van hetzelfde verhaal, maar dan met een paar extra details die in hoofdstuk 1 niet genoemd worden.

Toch is het niet heel waarschijnlijk dat God opeens een andere manier van schrijven zou gebruiken. In de rest van de Bijbel wordt namelijk meestal heel duidelijk een chronologische volgorde aangehouden: gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waarin ze echt hebben plaatsgevonden, alsof je een tijdlijn volgt.

Als God in Genesis 1 en 2 werkelijk twee keer exact hetzelfde verhaal zou vertellen, dan zou dat betekenen dat Hij het nodig vond om zichzelf te herhalen én dat Hij daarbij ook nog de volgorde van gebeurtenissen door elkaar zou halen. Dat past eigenlijk niet bij de consistente manier van schrijven die we in de rest van de Bijbel zien.

Aan de andere kant is het idee dat Genesis 2 vooral een uitwerking is van hoe God een speciale mens en diens leefomgeving heeft geschapen, ook weer niet helemaal verkeerd. Hoe dat precies zit, zal later duidelijk worden.

Twee zinnen

Een geheel maken en context van de twee zinnen en de twee zinnen noemen

In zijn boek Sleutels tot de Bijbel[6] beschrijft David Pawson dat het nooit Gods bedoeling is geweest om de bijbel te nummeren via hoofdstukken en verzen. Sterker nog, hij schrijft dat het indelen van de bijbel in hoofdstukken en verzen enorme schade heeft toegebracht aan de bijbel. David schrijft dat door het indelen de betekenis van tekst verlegd werd van een heel boek naar een enkel vers.

Een goed voorbeeld vinden we eigenlijk al in het eerste door mensen ingedeelde hoofdstuk van de Bijbel. Het gaat dan om hoofdstuk 1 van het boek Genesis. Volgens de normale indeling stopt het scheppingsverhaal bij Genesis 1:31. Daarna sluiten we hoofdstuk 1 af en gaan vervolgens verder met hoofdstuk 2. Dan merken we dat de eerste paar verzen van het tweede hoofdstuk duidelijk nog horen bij de schepping die beschreven wordt in hoofdstuk 1. De scheppingsdaad van God wordt beschreven in zeven dagen. Van die zeven dagen staan er zes in hoofdstuk 1 en één in hoofdstuk 2. Om precies te zijn de eerste drie verzen[7]. Zoals David Pawson al aangaf, is de indeling in hoofdstukken en verzen mensenwerk.

Vers 2:4 bestaat eigenlijk uit twee aparte zinnen. Daarbij is het goed om in ons achterhoofd te houden wat David Pawson benadrukte: de indeling in hoofdstukken en verzen is door mensen gemaakt. Die structuur helpt ons wel bij het terugvinden van teksten, maar zegt niet altijd iets over hoe de tekst oorspronkelijk bedoeld was.

De eerste zin van vers 4 luidt:

"Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden."

In de Herziene Statenvertaling [8] staat daarbij een voetnoot met de letterlijke vertaling vanuit het Hebreeuws:

"Dit zijn de afstammelingen van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden."

Het woord "afstammelingen" komt in de Hebreeuwse grondtekst voor en heeft het Strong-nummer H8435. Dat woord wordt normaal gesproken gebruikt voor iets of iemand die voortkomt uit een bron, zoals kinderen die voortkomen uit ouders. Het ligt dus voor de hand dat er pas gesproken kan worden over "afstammelingen" wanneer er ook werkelijk een oorsprong of bron is waaruit iets is voortgekomen.

De tweede zin van vers 4 begint met de woorden: "Op de dag dat de HEERE God". Het is goed om de verschillende betekenissen van het woord "dag" nader te belichten.

  1. Het woord “dag” heeft in oude talen meerdere lagen van betekenis. Letterlijk verwees het vaak naar “de warme uren”: het lichte, zonnige deel van de tijd. In veel culturen werd een dag gezien als de periode van zonsopgang tot zonsondergang, dus simpelweg het deel waarin het licht is. Andere tradities rekenden juist van zonsondergang tot de volgende zonsondergang. Dat zie je bijvoorbeeld in het Joodse denken, waar men spreekt over “het werd avond en het werd morgen”.
  2. Naast die letterlijke betekenis heeft “dag” ook een figuurlijke kant. Het kan namelijk een langere periode aanduiden die verbonden is met een bepaald thema of een bepaalde gebeurtenis. Denk aan uitdrukkingen als “de dag van de Heer”, “in die dag” of “de laatste dagen”. In zulke gevallen gaat het niet om een periode van 24 uur, maar om een symbolische tijdspanne.
  3. Het woord “dag” komt ook vaak voor als bijwoord. Dan werkt het niet als zelfstandig naamwoord, maar als een aanduiding van tijd. Voorbeelden zijn: “Hij werkt dag en nacht” of “Hij reist dag in, dag uit”. Hier gaat het om een manier van spreken die aangeeft hoe vaak of hoe intensief iets gebeurt.
  4. Tot slot is er nog de etymologische achtergrond. Deze is gebaseerd op Strongnummer H3117. Het woord “dag” lijkt terug te gaan op een oude, inmiddels ongebruikte stam die “heet zijn” betekent. Dat past mooi bij de oorspronkelijke betekenis: de dag als het warme, zonnige deel van de tijd.

In de tweede zin volgt een onderbreking, dat noemen we een tussenzin. Een tussenzin is een extra stukje informatie dat in een zin wordt ingevoegd, maar niet noodzakelijk is voor de hoofdzin. In de Herziene Statenvertaling wordt de tussenzin tussen strepen gezet. Als we deze tussenzin in zijn geheel weglaten staat er het volgende:

"Dit zijn de afstammelingen van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. In de periode dat God de hemel en de aarde maakte, toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen."

Wat is de focus

Wanneer in de Bijbel het woord aarde wordt gebruikt, gaat het lang niet altijd over de hele planeet, de complete aardbol. Zoals eerder genoemd kan aarde ook verwijzen naar een specifiek gebied, een stuk land. In Genesis 2:5 en 6 wordt er ingezoomd op het gebied waar de Bijbel zich daadwerkelijk afspeelt en wordt het wereldwijde perspectief uit hoofdstuk 1 losgelaten.

Iets meer over de focus

Het gebied dat in deze verzen wordt beschreven, is een plaats waar nog geen planten of struiken groeiden. De reden daarvoor was simpel: het had er nog helemaal niet geregend. Rutger Gast schrijft in zijn boek Schepping en Evolutie[8] dat al het water op aarde in het begin alleen als mist en damp aanwezig was, hoog in de atmosfeer. Volgens die gedachte was er dus nog geen vloeibaar water op de aarde zelf.

De “bevochtiging” die in vers 6 wordt genoemd, zou je dan kunnen zien als een soort condensatie: waterdamp die neerslaat en zo de grond vochtig maakt. Toch is het idee dat álle 1.386 miljard kubieke kilometer water van de aarde in de atmosfeer zou hebben gezeten niet echt realistisch. Om zoveel water als damp in de lucht te krijgen, zou de dampkring zo enorm groot en zwaar moeten zijn dat de luchtdruk op aarde gigantisch hoog zou worden en er überhaupt geen leven, zoals beschreven in de Bijbel, mogelijk zou zijn.

Verder wordt van het gebied gezegd dat er nog geen mensen aanwezig waren. Op zich is dat niet heel vreemd. De aarde was nog niet zo dichtbevolkt als hij nu is. Er waren dus nog hele gebieden die niet bewoond waren en waar zelfs nog geen mensen geweest waren. In dit tamelijk droog en onontgonnen gebied heeft God de hof van Eden geplaatst. De droogte in het gebied was in ieder geval voorbij. In Genesis 2 worden een viertal rivieren genoemd die hun oorsprong vinden in de Hof van Eden.

Hoofdgebieden in de Bijbel

De Bijbel speelt zich af in een relatief compact maar historisch enorm rijk gebied, voornamelijk in het Midden-Oosten. Het centrum van dit alles is het land Israël, ook wel Kanaän genoemd. Dit gebied vormt het hart van talloze Bijbelverhalen, van de aartsvaders tot de koningen en profeten, en uiteindelijk het leven van Jezus. Plaatsen als Galilea, Samaria, Judea, Jeruzalem, Bethel, Silo en Kapernaüm komen steeds weer terug als decor van belangrijke gebeurtenissen. Maar de Bijbel beperkt zich niet tot Israël alleen. Een groot deel van de Bijbelse geschiedenis heeft ook sterke banden met Mesopotamië, het beroemde Tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris in het huidige Irak. Hier lag onder andere Ur, de stad waar Abraham vandaan kwam en het was de bakermat van machtige rijken zoals Assyrië en Babylon, die een grote invloed hadden op Israël.

Ook Egypte speelt een cruciale rol. Het is het land waar Jozef terechtkwam, waar het volk Israël eeuwenlang verbleef en van waaruit het onder leiding van Mozes werd bevrijd. Door de hele Bijbel heen wordt Egypte genoemd als een machtige speler op het wereldtoneel. Verder worden ook Syrië en Libanon vaak genoemd, destijds bekend als Aram, Tyrus en Sidon. Deze gebieden waren regelmatig handelspartners, bondgenoten of juist vijanden van Israël. Daarnaast strekt het Bijbelse verhaal zich uit naar het bredere Nabije Oosten, met verwijzingen naar het Perzische Rijk onder leiders als Cyrus en Darius, naar delen van Turkije waar Paulus zijn reizen maakte en naar het Griekse en later het Romeinse Rijk, dat de historische achtergrond vormt van het Nieuwe Testament.

Wanneer je het totale geografische gebied van de Bijbel bekijkt, loopt het grofweg van Egypte in het zuiden tot Turkije in het noorden en van Griekenland in het westen tot Iran in het oosten. Toch blijft het centrale toneel steeds weer het relatief kleine maar uiterst betekenisvolle gebied Israël en Palestina, het land dat ook wel bekendstaat als het Heilige Land. De Bijbel bestrijkt zo een gebied dat bestaat uit Israël en Palestina, Egypte, Mesopotamië, Syrië, Libanon en Jordanië, aangevuld met gedeelten van Turkije, Griekenland en het uitgestrekte Romeinse Rijk.

Deze geografische achtergrond helpt om Bijbelverhalen beter te begrijpen en te plaatsen. Net zoals de Bijbel soms uitzoomt naar grote rijken en uitgestrekte gebieden, zo zoomt de tekst in Genesis ook weer in op kleinere details. Het idee dat hoofdstuk 2 een meer gedetailleerde uitvergroting is van de schepping van de mens Adam en zijn omgeving, is dan ook helemaal niet vreemd.

De aarde als bron

In verschillende Bijbelteksten[9] wordt beschreven dat satan macht heeft over de aarde. Volgens die teksten gaat het niet om een kleine of symbolische invloed, maar om een macht die diep ingrijpt in hoe de wereld functioneert. Die macht heeft dus verstrekkende gevolgen voor alles wat met het leven op aarde te maken heeft.

Wanneer een mens geboren wordt, komt die automatisch terecht in een schepping die, volgens deze Bijbelbeschrijving, in de handen van satan gevallen is. Dat betekent dat ieder mens bij geboorte deel wordt van een wereld die onder zijn invloed staat. Vanuit dit principe wordt er gesproken over twee soorten lichamen: aardse lichamen en hemelse lichamen.[10]

Bij de geboorte heeft een mens een “aards” lichaam. De Statenvertaling noemt dit “uit de aarde aards”[11], terwijl de Herziene Statenvertaling dit omschrijft als “stoffelijk”. Beide woorden benadrukken hetzelfde: het lichaam waarmee iemand geboren wordt, hoort bij de natuurlijke, fysieke schepping. En omdat die schepping in handen van satan wordt gezien, behoort de pasgeboren mens op dat moment volledig tot die gevallen wereld.

Vanuit die gedachte volgt dat de aarde, als oorsprong van het natuurlijke leven, nooit uit zichzelf iets geestelijks, hemels of goddelijks kan voortbrengen. Daarvoor is meer nodig dan alleen geboorte. Er is een bewuste keuze van de mens voor nodig. Sinds de dood en opstanding van Jezus Christus ligt de mogelijkheid open om door geloof een nieuwe vorm van leven te ontvangen.

Deze bewuste keuze, het moment dat iemand tot geloof komt, wordt gezien als een daad die de mens zelf moet zetten. Vanaf dat moment krijgt diegene, naast het aardse lichaam, ook een geestelijk lichaam. Deze verandering, waarbij iemand als het ware een nieuw leven ontvangt, wordt wedergeboorte genoemd.

De geboorte van Adam (Genesis 2:7)

Adam, werd gevormd uit het stof van de aarde. Dat kun je lezen in Genesis 2:7. In 1 Korinthe 15:45 wordt deze eerste mens ook bij naam genoemd: Adam. Wat gaf Adam de 'titel' de eerste mens? God deed iets heel bijzonders bij het scheppen van Adam. Nadat Adam gevormd was uit het aardse stof, blies God Zijn levensadem in Adams neusgaten. Op dat moment werd Adam niet alleen een levend mens, maar ook een wezen dat in relatie met God kon staan.

Doordat God Zijn levensadem in Adam blies, werd de aardse mens uit de situatie van de vervloekte aarde gehaald. Eerst maakte God dus de natuurlijke, lichamelijke Adam. Maar door het inblazen van die goddelijke levensadem werd Adam ook geestelijk[12]. Hierdoor werd hij geschikt om als “eerste Adam” een rol te vervullen in Gods plan.

We weten eigenlijk allemaal dat Adam zijn opdracht van God niet goed heeft uitgevoerd. Hij kreeg een belangrijke taak toevertrouwd, maar hij maakte een fout en dat had grote gevolgen. De levensadem die God aan Adam had gegeven, zorgde ervoor dat hij eeuwig leven had. Maar door zijn misstap raakten Adam en Eva en daarmee alle mensen die na hen zouden komen, dat eeuwige leven kwijt. Dat staat ook in Romeinen 5:12. (aanhalen) Vanaf dat moment leefden er geen onsterfelijke mensen meer op aarde. De straf op de zonde is namelijk de dood.

Na de zondeval waren Adam en Eva geen bijzondere, zondeloze mensen meer maar gewone, sterfelijke mensen die net als wij fouten maakten. God wilde voorkomen dat ze alsnog zouden eten van de Boom des Levens, die in het midden van de hof van eden stond. Als ze daarvan zouden eten zouden ze eeuwig leven ontvangen in hun gevallen toestand. Daarom werden ze weggestuurd uit het paradijs. Aan de oostkant van de hof van Eden zette God cherubs neer, samen met een vlammend zwaard dat heen en weer bewoog, om de toegang tot de Boom des Levens streng te bewaken.

De eerste mens

Adam was de eerste mens die door God specifiek werd uitgekozen en geroepen. God deed dat door hem een levend wezen te maken op een manier die uniek was.

Je kunt je daarbij voorstellen dat er op dat moment al andere mensen op aarde leefden, maar dat God ervoor koos om Zijn plan met schepping en de mensheid te beginnen bij Adam. Adam werd daarmee het beginpunt, de oorsprong, van het volk Israël. En vanuit deze Adam zou uiteindelijk ook de tweede Adam, Jezus Christus, geboren worden. Dat kun je terugzien in de stamboom van Jezus[13].

Hoewel Adam dus niet noodzakelijkerwijs de allereerste mens geweest hoeft te zijn, zullen we in het volgende hoofdstuk zien dat Adam zelfs niet eens de eerste mens kan zijn geweest.

Hoe kan dat nou!

Als je ervan uitgaat dat Adam echt de allereerste mens op aarde was, loop je bij het lezen van de Bijbel al snel tegen allerlei opvallende vragen aan. Je betrapt jezelf steeds weer op dezelfde gedachte: hoe kan dat nou? Want zodra je het verhaal van Adam probeert te lezen als een letterlijk historisch beginpunt, merk je dat sommige dingen niet helemaal logisch lijken te kloppen. Juist dat maakt het verhaal interessant: het prikkelt je om verder te denken, door te vragen en te zoeken naar wat er precies bedoeld kan zijn.

In de volgende paragrafen nemen we daarom het idee dat Adam de eerste mens was als uitgangspunt. Vanuit dat perspectief beschrijven we de spanning en de vragen die daarbij ontstaan.

Verschil in opdracht

In de eerste hoofdstukken van de Bijbel krijgt Adam twee verschillende opdrachten en dat levert een interessant contrast op. In Genesis 1 geeft God hem een grote, bijna overweldigende taak: “Wees vruchtbaar, word talrijk, vul de aarde, onderwerp haar en heers over de dieren.” Het is een opdracht die klinkt als een soort levensmissie voor de hele mensheid: verspreid je over de aarde, zorg voor nakomelingen en neem verantwoordelijkheid voor de schepping.

Maar in Genesis 2 gebeurt er iets opvallends. Daar krijgt Adam, nog vóórdat er sprake is van een grote mensenmassa, een heel andere taak. God plaatst hem in de hof van Eden “om die te bewerken en te onderhouden.” Dat is geen wereldwijde opdracht, maar een heel concrete, lokale taak: zorg voor deze tuin, houd haar mooi, werk erin. Het is bijna alsof Adam een baan krijgt als tuinman van het paradijs.

Als je die twee opdrachten naast elkaar legt, zie je meteen het verschil. De eerste opdracht is enorm: vul de aarde, heers over alles wat leeft. De tweede is veel kleiner en praktischer: onderhoud deze ene plek.

En dan komt de ironie: Adam staat daar in zijn eentje. Hij heeft nog geen partner, geen kinderen. Hij heeft de opdracht gekregen om de hele aarde te vullen, maar hij staat nog maar net op zijn benen. Hij heeft nog niet eens één stap gezet richting het uitvoeren van die wereldwijde taak, of hij krijgt al een nieuwe opdracht erbij. Je kunt je bijna voorstellen hoe dat gevoeld moet hebben. Alsof je op je eerste werkdag binnenkomt en meteen twee fulltime functies krijgt toegewezen. Daar komt nog bij dat de eerste opdracht, “wees vruchtbaar”, voor Adam bijna ontmoedigend moet hebben geklonken. Hoe begin je daaraan als je letterlijk de enige mens op aarde bent?

Vader en moeder

Een tweede opvallend punt is dat Adam, volgens Genesis 2:24, al meteen woorden gebruikt als vader en moeder. Dat gebeurt op het moment dat Eva net is geschapen. Als Adam werkelijk de allereerste mens op aarde zou zijn, is dat best vreemd. Hoe kan iemand die nog nooit andere mensen heeft gezien, laat staan een gezin of familie, al precies weten wat vaderschap en moederschap betekenen?

Het is alsof iemand die nog nooit een stad heeft bezocht, ineens begint te praten over verkeerslichten en winkelstraten. De begrippen passen niet bij zijn situatie. Adam heeft geen ouders, geen voorbeelden, geen eerdere generaties om naar te kijken. Toch spreekt hij alsof hij precies weet hoe menselijke relaties en familiestructuren werken.

Kaïn en Abel

In Genesis 4:14–17 lezen we hoe Kaïn, nadat hij zijn broer Abel heeft gedood, eigenlijk het enige nog levende kind van Adam en Eva kan zijn. Toch zegt Kaïn dat hij bang is dat iedereen die hem tegenkomt, hem zal willen doden. Dat is opvallend, want als er verder niemand anders zou zijn, wie bedoelt hij dan met “iedereen”? God reageert op die angst door Kaïn een teken te geven, zodat niemand hem zal doden. Dat roept opnieuw de vraag op wie die “niemand” dan precies is.

Daarna vertrekt Kaïn naar het land Nod, ten oosten van Eden. Daar komt hij “onder de mensen”, alsof er al een bestaande bevolking is. Uit die mensen neemt hij een vrouw, wat opnieuw suggereert dat er meer mensen moeten zijn dan alleen het gezin van Adam en Eva. Deze vrouw baart Kaïn een zoon, Henoch. Vervolgens bouwt Kaïn een stad, die hij naar zijn zoon Henoch noemt.

Ook dat is opmerkelijk: een stad bouw je niet voor twee of drie mensen. Het woord “stad” suggereert een grotere gemeenschap, een plek waar meerdere families of groepen samenleven. Het hele verhaal wekt dus de indruk dat er al een bredere menselijke samenleving bestond, terwijl Kaïn volgens de eerdere hoofdstukken juist één van de allereerste mensen zou moeten zijn.

Deze verzen roepen daardoor allerlei vragen op. Hoe kan Kaïn bang zijn voor andere mensen als die er volgens het verhaal nog niet zouden zijn? Waar komt zijn vrouw vandaan? En voor wie bouwt hij een stad? Oftewel: Hoe kan dat nou!

Vissen der zee

Hoewel er theorieën zijn die de hof van Eden aan een zee plaatsen, zijn het de meest traditionele en breed gedragen theorieën die de hof van Eden in Mesopotamië plaatsen, het gebied van de Tigris en de Eufraat. Omdat Genesis vier rivieren noemt, waaronder deze twee, situeren veel onderzoekers Eden ergens in het zuiden van Mesopotamië. Al in de eerste eeuw koppelde Josephus[14] Eden aan dit gebied, en ook Ephrem de Syriër[15] zag de tuin in de nabijheid van de Tigris en de Eufraat. Moderne Oudtestamentici zoals John Walton[16][17], Gordon Wenham[18] en Kenneth Kitchen[19] blijven deze Mesopotamische interpretatie ondersteunen en plaatsen Eden binnen het landschap van het oude Nabije Oosten.

Andere geleerden zoeken Eden juist in Armenië of Oost‑Anatolië, waar de bronnen van de Tigris en de Eufraat liggen. Deze visie sluit aan bij oude kaarten en tradities die Eden in het noorden situeren en gaat uit van het idee dat de vier rivieren uit Genesis vanuit één bron zouden vertrekken. Onderzoekers zoals Friedrich Delitzsch[20] en de assyrioloog Sayce[21] plaatsten Eden daarom in het Armeense hoogland, terwijl David Rohl[22], hoewel omstreden, het paradijs in Oost‑Turkije bij Tabriz lokaliseert.

Volgens Genesis 1:28 kreeg Adam de opdracht om te heersen over de vissen in de zee. Voor Adam was die taak eigenlijk niet uitvoerbaar. De reden is simpel: de hof van Eden had helemaal geen zee. Adam leefde in een tuin met rivieren, bomen en dieren op het land, maar geen uitgestrekte watermassa’s waar vissen in voorkwamen. Daardoor kon hij die specifieke opdracht niet letterlijk uitvoeren. (En gegeven aan de mens en niet specifiek aan Adam)

De juridische kant

De aard van God

De Bijbel laat een genuanceerd beeld zien. Aan de ene kant wordt God beschreven als volledig betrouwbaar, iemand die niet van gedachten wisselt zoals mensen dat doen. Aan de andere kant laat de Bijbel zien dat God wel degelijk reageert op mensen, hun keuzes en hun gebeden. Dat lijkt soms op verandering, maar binnen de Bijbel wordt dat anders begrepen.

In veel teksten wordt benadrukt dat God in Zijn wezen, Zijn karakter en Zijn beloften niet verandert. Een bekende uitspraak komt uit Maleachi: “Ik, de HEERE, ben niet veranderd.”[23], en er zijn meer teksten die dit onderschrijven[24]. Het idee is dat Gods trouw, liefde en rechtvaardigheid niet meebewegen met omstandigheden. Hij blijft wie Hij is. Ook bij Jakobus lees je dat God geen “schaduw van omkeer” kent. Dat betekent: God is niet grillig of wispelturig.

Toch zijn er Bijbelverhalen waarin God van koers lijkt te veranderen, bijvoorbeeld wanneer mensen bidden of berouw tonen. Denk aan Jona, waar Ninevé gespaard wordt nadat de stad tot inkeer komt. In Exodus zie je dat Mozes pleit voor het volk en dat God daarop ingaat. In zulke verhalen gaat het niet om een God die plots ongelijk zou hebben of Zichzelf zou tegenspreken, maar om een God die relationeel is: Hij betrekt mensen bij Zijn plannen en Zijn beslissingen. Wanneer een mens verandert, verandert Gods handelen mee, maar Zijn karakter verandert niet.

Theologen vatten dit vaak samen met de gedachte dat God onveranderlijk is in wie Hij is, maar bewegend in hoe Hij met mensen omgaat. Zoals een goede ouder altijd dezelfde liefde heeft, maar verschillend reageert op de situatie van een kind, zo laat de Bijbel een God zien die tegelijk vast en flexibel is.

God en tijd

De Bijbel laat op verschillende plekken zien dat God heel anders met tijd omgaat dan wij. Voor ons gaat de tijd in een rechte lijn vooruit: gisteren is voorbij, vandaag is nu en morgen moet nog komen. Maar voor God werkt dat niet zo. In Psalm 90 staat dat duizend jaar voor Hem voelt als één dag die net voorbij is. Dat is geen rekensom, maar een manier om duidelijk te maken dat tijd geen beperking voor Hem vormt. Wat voor ons enorm lang lijkt, is voor God net zo overzichtelijk als iets van gisteren.

In het Nieuwe Testament wordt dit idee herhaald. In 2 Petrus 3:8 staat dat Gods tijdsbeleving niet te vergelijken is met die van ons. De schrijver wil voorkomen dat mensen denken dat God traag is of dingen vergeet. Het punt is juist: God ziet alles tegelijk. Hij kijkt niet van moment naar moment, maar heeft het hele plaatje voor zich.

Dat idee komt ook terug in Jesaja 46, waar God zegt dat Hij vanaf het begin al weet hoe alles zal aflopen. Dat kan alleen als je niet door de tijd wordt meegetrokken zoals wij. De Bijbel toont God dus niet als iemand die in het verleden heeft gehandeld, nu afwacht en later weer iets zal doen, maar als Iemand die boven de tijd staat en het geheel overziet.

In het boek Openbaring noemt God zichzelf de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Dat betekent niet alleen dat Hij er aan het begin én aan het einde is, maar dat Hij alles ertussenin ook omvat. Hij is de bron en het doel, zonder dat Hij zelf verandert door de tijd heen.

Samengevat laat de Bijbel God zien als de Eeuwige: iemand die niet door de tijd wordt gevormd. Wij leven in de tijd; Hij staat erboven.

Leviticus

In het boek Leviticus komt herhaaldelijk de uitdrukking voor die vaak wordt vertaald als “de schaamte niet ontdekken”. Deze formulering klinkt voor moderne lezers wat geheimzinnig, maar in de Hebreeuwse context was het een duidelijke en herkenbare manier om over seksuele relaties te spreken, zonder dat direct en expliciet te benoemen. In Leviticus 18 en 20 wordt steeds dezelfde Hebreeuwse uitdrukking gebruikt: lo tegaléh ʿerváh[25]. Letterlijk betekent dit: “je zult de naaktheid niet ontbloten”. Het draait hier vooral om het woord: ʿerváh[26], dat “naaktheid”, “intieme delen” of “seksuele kwetsbaarheid/schaamte” kan betekenen. In de context van deze hoofdstukken fungeert het als een beleefde, indirecte manier om seksuele omgang aan te duiden.

Voor de schrijver van Leviticus was het heel normaal om op zo’n terughoudende manier over dit onderwerp te spreken. Het ging niet om iemand letterlijk zien of aankijken, maar om het verbod op seksuele relaties die in die tijd als ontoelaatbaar werden beschouwd, vooral binnen familieverband of binnen de gemeenschap. Wanneer er dus staat dat je de “schaamte” van iemand niet mag “ontdekken”, bedoelt de tekst eigenlijk dat je geen seksuele relatie mag aangaan met die persoon. De uitdrukking kan ook verwijzen naar het vermijden van iedere vorm van seksuele handeling die als grensoverschrijdend of verboden werd gezien.

In het kort komt het erop neer dat deze formulering een typisch Hebreeuwse manier is om gevoelige onderwerpen met respect en omzichtigheid te bespreken. Wat vandaag omslachtig klinkt, was destijds een gebruikelijke manier om morele en sociale grenzen duidelijk te maken. “De schaamte niet ontdekken” is dus een uitdrukking die staat voor: geen verboden seksuele relatie aangaan, vooral binnen de familie.

Waar Leviticus 18 vooral uitlegt wat niet mag, vertelt Leviticus 20 wat er gebeurt als je het toch doet. Het noemt zware straffen, soms zelfs de doodstraf, voor ernstige grensoverschrijdingen zoals incest.

Binnen de wetten die God het volk gegeven heeft, gelden onder andere de volgende verboden: Seksuele omgang met een "bloedverwant" binnen de eigen familie (vs. 6), seksuele omgang met de "eigen moeder" (vs. 7), seksuele omgang met de "vrouw van de vader" (stiefmoeder) (vs. 8), seksuele omgang met een "zuster" (half- of volle zus) (vs. 9), seksuele omgang met een "kleindochter" (vs. 10), seksuele omgang met een "halfzuster" via de vrouw van de vader (vs. 11), seksuele omgang met een "vrouw én haar dochter" (vs. 17).     

Er is ook een diepere boodschap: Israël moet een heilig volk zijn, omdat de God die hen leidt, heilig is. Heiligheid gaat in deze hoofdstukken niet alleen over religieuze rituelen, maar juist over het dagelijks leven: hoe je met je lichaam omgaat, met familie, met buren en met grenzen. Seksualiteit wordt hier dus niet gezien als iets vies of gevaarlijks, maar wel als iets krachtigs dat bescherming nodig heeft. (Meer uitdiepen)

In beide hoofdstukken zie je dezelfde rode draad: het volk moet afstand nemen van destructieve patronen en bouwen aan gezonde, eerlijke en respectvolle relaties. Leviticus 18 schetst de regels, en Leviticus 20 laat zien hoe serieus God deze beschermende grenzen neemt.

Abraham en Sara (Toch nog Lastig...)

In Genesis vertelt Abraham zelf hoe hij en Sara aan elkaar verwant zijn. Hij zegt dat Sara zijn halfzus is: ze hadden dezelfde vader, maar niet dezelfde moeder. In het oude Nabije Oosten was dat helemaal niet vreemd. Binnen families of clans werd vaker getrouwd om bezit, stammenbanden en erfgoed binnen de groep te houden.

De vraag of dit als incest gezien moet worden, hangt sterk af van welke norm je gebruikt. Als je kijkt naar de wet van Mozes in Leviticus, dan zou zo’n huwelijk inderdaad onder incest vallen, want daar wordt een relatie met een zus streng verboden. Maar Abraham leefde ver vóór die tijd. De wetten van Leviticus bestonden nog niet en de Bijbel geeft nergens aan dat Abraham en Sara iets verkeerd deden. In zijn eigen tijd werd hun huwelijk niet gezien als moreel problematisch.

Binnen de cultuur waarin Abraham leefde, was een huwelijk met een halfzus zelfs niet ongewoon. In teksten uit dezelfde periode worden zulke huwelijken genoemd als volkomen legaal en sociaal acceptabel. Voor mensen in die tijd was dit normaal en hoorde het bij de structuur van hun samenleving. Het werd niet gezien als iets dat grenzen overschreed, maar eerder als een manier om familiebanden te versterken.

De Bijbel zelf kijkt opvallend nuchter naar het huwelijk van Abraham en Sara. Ze benoemt eenvoudig dat ze familie waren, maar koppelt daar geen oordeel aan. Abraham wordt gepresenteerd als iemand met groot geloof. De schrijver lijkt geen enkel probleem te hebben met de familieband tussen hem en Sara, wat aangeeft dat het in de context van Genesis niet als verkeerd werd beschouwd. Daarom kun je concluderen dat Abraham en Sara inderdaad halfbroer en halfzus waren, maar dat dit volgens de normen van hun tijd en cultuur geen incest was.

Het belangrijkste aspect van dit huwelijk en eigenlijk alle huwelijken is dat het huwelijk tussen Abraham en Sara geen handelen van God zelf was maar een keuze van mensen, met het huwelijk als resultaat. God zal dit huwelijk niet goedkeuren, maar geeft in het geval van Abraham en Sara geen straf.

Alles samengebracht! (kopje weghalen en een samenhangend geheel bvan maken)

God verandert niet en blijft altijd precies wie God is. Hij is niet een beetje grillig of wisselvallig en Hij past zich ook niet aan zoals mensen dat doen. Daarnaast speelt tijd voor God geen rol; Hij wordt er niet door beïnvloed. Alles waar Hij een standpunt over heeft en alles waarvan Hij overtuigd is, blijft voor altijd hetzelfde. Dat is iets waar wij gelukkig op mogen vertrouwen. God is betrouwbaar, vast en onveranderlijk. Je kunt echt op Hem bouwen, want Hij is een fundament dat nooit verschuift. Als God “ja” zegt dan is het ook echt “ja”, en als Hij “nee” zegt dan blijft dat ook “nee”, en dat voor altijd.

Wanneer God in zijn wet aangeeft dat bepaalde vormen van incest niet toegestaan zijn, dan geldt die regel vanzelfsprekend ook voor Hemzelf. Het feit dat God geen straf oplegde in het geval van Abraham en Sara is duidelijk, maar dat betekent nog niet dat God van mening zou kunnen wisselen. De voorschriften die Hij in de wet van Mozes geeft, zijn voor Hemzelf niet veranderlijk en blijven door alle tijden heen hetzelfde. In het verhaal van Abraham en Sara was de straf wel anders dan de straffen die in de wet van Mozes worden genoemd wanneer iemand die wet overtreedt. Die straffen staan namelijk precies omschreven in Leviticus 20.

In het Nederlandse strafrecht, in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, staat dat uitlokking strafbaar is. De wet maakt duidelijk dat ook mensen die anderen aanzetten tot het plegen van een strafbaar feit, zelf schuldig zijn en gestraft kunnen worden. In de Bijbel wordt uitlokking ook bestraft. Het bekendste voorbeeld daarvan is de slang die Eva overhaalde om Gods gebod te overtreden. God veroordeelt de slang vervolgens en legt hem straf op. Dat betekent dat het aanzetten tot het overtreden van Gods gebod volgens de Bijbel óók strafbaar is.

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat God nooit incest zou plegen, als dat al mogelijk zou zijn, en dat Hij ook nooit iemand tot incest zou aanzetten. Dat alles zal uitmonden in de volgende conclusie. (zin aanpassen hij klopt niet en is niet van Toepassing)

Conclusie

Uit wat hiervoor is uitgelegd, kun je afleiden dat Adam niet per se de allereerste mens op aarde hoeft te zijn geweest. Wat in ieder geval wel duidelijk is.

In Genesis 1 lees je dat God de mens schiep in het meervoud: niet één man en één vrouw, maar meerdere mannen en meerdere vrouwen. In Genesis 2 lees je vervolgens het specifieke verhaal van Adam en later Eva. Met deze twee mensen had God een bijzonder en doelgericht plan. Uit juist dit ene koppel zou het volk Israël voortkomen, en uiteindelijk, vele generaties later, de Messias: Jezus Christus.

Wanneer je ervan uitgaat dat Adam en Eva de allereerste twee mensen op aarde waren, loop je direct tegen een logisch probleem aan: de mensheid zou dan onvermijdelijk door incest zijn ontstaan. Er is in dat scenario simpelweg geen andere mogelijkheid. Kijk alleen maar naar de zoon van Adam en Eva, Kaïn. Hij trouwde met een vrouw die, het kan niet anders, zijn in de Bijbel nooit beschreven zus zal moeten zijn. Kaïn en zijn zus plegen incest en daaruit wordt hun zoon, Henoch, geboren. Als je die gedachte volgt, duw je God zelf in de positie van iemand die incest zou aanmoedigen of zelfs uitlokken. De opdracht “wees vruchtbaar en word talrijk” zou dan automatisch uitgelegd moeten worden als een aanzet tot iets wat volgens Gods eigen wetten verboden is. Je maakt van God dan eigenlijk een zondaar.

En dat gaat lijnrecht in tegen alles wat we over God weten. God heeft wetten en die wetten heeft Hij altijd gehad. De Wet blijft heilig en goed.[27] De straffen die God eraan verbindt kunnen door de geschiedenis heen verschillen. Van het negeren bij Abraham, tot de doodstraf ten tijde van de Wet en de Genade aan de andere kant van het spectrum. Maar één ding blijft altijd hetzelfde: als God eenmaal iets veroordeelt, dan veroordeelt Hij dat voor altijd. God verandert niet. En omdat Hij volledig rechtvaardig is, is het volstrekt ondenkbaar dat God ooit zijn eigen wetten zou overtreden, laat staan dat Hij mensen zou aansporen om dat wel te doen. Vanuit dat perspectief, naast de andere overtuigende redenen, is het eenvoudigweg niet mogelijk dat Adam en Eva de eerste mensen op aarde zouden zijn geweest.

(1 Johannes 1:5 [HSV]) En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.

Noten

  1. Genesis 1:26
  2. Paul M.J. | van der Brink G. | Bette J.C. (2011) Studiebijbel Oude Testament. Bijbelcommentaar Genesis|Exodus. Centrum voor Bijbelonderzoek, Veenendaal
  3. https://www.kingcomments.com/
  4. Johannes Calvijn, Commentarius in Genesin (1554)
  5. Maarten Luther In primum librum Mose enarrationes, Weimarer Ausgabe (WA), deel 42–44. (1535–1545)
  6. Pawson, J.D. (2007). Sleutels tot de bijbel. Opwekkingslectuur, Putten.
  7. Genesis 2:1-3
  8. Rutger Gast (2022). Schepping en Evolutie - Adam, zonde en verlossing. Mijnbestseller, Rotterdam.
  9. 2 Korintiërs 4:4, Efeziërs 2:2, Johannes 12:31 / 14:30 / 16:11, 1 Johannes 5:19, Openbaring 12:9
  10. 1 Korinthe 15:40
  11. 1 Korinthe 15:47 [SV]
  12. 1 Korinthe 15:46
  13. Lukas 3:23-38
  14. Josephus. Antiquitates Judaicae (Joodse Oudheden), Boek 1.
  15. Ephrem de Syriër. Commentary on Genesis (4e eeuw).
  16. John H. Walton. The Lost World of Adam and Eve (2015).
  17. John H. Walton. Ancient Near Eastern Thought and the Old Testament (2006).
  18. Gordon J. Wenham. Word Biblical Commentary: Genesis 1–15 (1987).
  19. Kenneth A. Kitchen. On the Reliability of the Old Testament (2003).
  20. Friedrich Delitzsch. Wo lag das Paradies? (1881)
  21. A.H. Sayce. The Races of the Old Testament (1891).
  22. David Rohl. Legend: The Genesis of Civilisation (1998).
  23. Maleachi 3:6
  24. Jakobus 1:17, 1 Samuël 15:29, Psalm 102:27
  25. לֹא תְגַלֵּה עֶרְוָה
  26. ערוה
  27. Romeinen 7:12